Subsidie en winst in de kunstensector
Het is op dit moment een hot topic: bezuinigingen op subsidies in de kunstensector. Cultuurafbraak zeggen sommige tegenstanders, hoog nodig zegt een ander deel van de samenleving. Hoe dan ook, ik ben van mening dat in de kunstensector goede dingen gebeuren en dat er veel mogelijkheden zijn om die zaken te behouden terwijl er minder overheidsgeld naartoe hoeft.
In Nederland wordt vanalles en nogwat gesubsidieerd. Zo krijgen kunstenaars een door de staat gesponsorde opleiding, worden culturele centra gebouwd met gemeentelijke subsidie, wordt ook de exploitatie van de centra betaald en krijgen de kunstenaars in veel gevallen nog een (gedeeltelijke) uitkering of belastingvoordelen om de culturele werken betaalbaar te houden. En dan is de overheid ook nog een grote afnemer van kunst en dus voor een groot deel prijsbepalend voor kunstwerken.
Toch zijn kaartjes voor een museum behoorlijk duur en zijn uitvoeringen van klassieke orkesten ook voorzien van een elitair prijskaartje. Hoe komt dat toch zo? In het buitenland is dat vaak namelijk niet zo. Kijk naar Duitsland: daar zijn alle door de overheid gefinancierde musea gratis toegankelijk.
De vele vormen van subsidie maken dat het overzicht kwijt is. Zowel de instellingen als de kunstenaars hebben vaak weinig benul van wat er allemaal precies betaald wordt, of geven op zijn minst de indruk dat ze het ook niet allemaal inzichtelijk hebben. Neem de commerciële exploitatie van schouwburgen en concertzalen. In veel steden en regio’s is dit de zaak van een stichting die, onder leiding van een professioneel bestuur, met het beschikbare budget uit de recette en subsidie een programma verzorgd wat cultureel verantwoord is. De huisvesting wordt veelal door de gemeente aangeboden. De kosten van de exploitatie bestaat dus in hoofdzaak uit de acts en de personele kosten. In een aantal gevallen komen zaken als onderhoud, techniek en marketing daar nog bij. Een deel van de uitvoeringen is winstgevend (zoals populaire voorstellingen van cabaretiers en de grotere musicals) en een ander deel van de voorstellingen zijn verliesgevend. Denk daarbij aan beginnende acts, balletvoorstellingen en klassieke muziekuitvoeringen.
Bij musea is het vaak niet anders. Soms doen sponsors een duit in het jaarlijkse zakje, veelal zijn gemeentes bereid de huisvesting te regelen en de werken worden aangekocht, of geleend uit particuliere collecties. Enkele musea kunnen positief draaien door bijzondere exposities en door publiekstrekkers, maar bij de meeste musea is een sluitende begroting zonder overheidsbijdrage een utopie.
Waarom kunnen kunstenaars niet hun eigen broek ophouden? Vergelijk bijvoorbeeld de klassieke muziek met de jazz of de popmuziek. Popmuzikanten en jazzmuzikanten werken zich vaak een weg naar een zelfstandig bestaan. Naast muziek maken brengen ze de krant rond, vullen ze de vakken van de supermarkt en geven ze les. Niet omdat ze dat willen, niet omdat die ontbering hoort bij de vorming, maar omdat het bittere noodzaak is om te overleven. De talenten drijven boven en kunnen misschien hier of daar een hit scoren, een opdracht in een begeleidingsband krijgen of breken door bij het grote publiek. De rest wordt na jaren gewoon werkeloos, of autoverkoper. Dat is de harde realiteit. Hoe anders kan het in de klassieke muziekwereld gaan. Met een gedegen opleiding op het conservatorium, waar flink gesneden wordt in de talentvolle en de talentloze muzikanten ligt uiteindelijk een rol in een orkest te wachten. In tegenstelling tot de pop- en jazzwereld bepaald hier echter een dirigent of je er komt of niet. De dirigent, die vaak een heel aardig salaris krijgt uit de subsidie voor het orkest, bepaald wie er mee mag spelen en wie niet. Dit bepaald de kwaliteit van het orkest, maar stimuleert ook een ‘old boys network’ in het wereldje. Vervolgens zijn programmeurs in zalen vaak verbonden aan een of slechts een paar orkesten en zo is het wereldje beperkt tot een kleine club mensen die de (vaak verliesgevende) activiteiten in een gesubsidieerde concertzaal runnen. Dit kan tot in lengte van dagen doorgaan, omdat het verlies een geaccepteerd ‘gegeven’ is. De populaire muziekstromingen kennen dit effect niet: je zaaltje is binnen drie maanden failliet! Bij gebrek aan corrigerende maatregelen kan deze situatie alleen maar onderbroken worden door een veranderend beleid van de overheid.
Op kunstacademies en conservatoria wordt weinig onderwezen over ‘ondernemerschap’. Je leert niet jezelf te verkopen en je product aan te passen aan de behoefte van de afnemers. Al dan niet terecht is het niet chique om iets te maken dat makkelijk verkoopt: je moet immers origineel zijn en je eigen stijl ontwerpen. Maar is dat een eerlijke mening van docenten, of gaat het vooral ook om het voorkomen van concurrentie? Immers, de docenten op deze opleidingen zijn vaak zelf ook uitvoerend bezig (bij kunstacademies is het vaak zelfs een voorwaarde om docent te kunnen worden) en succesvol verkopende en exposerende studenten zijn een directe bedreiging voor hun eigen broodwinning.
Stel dat de overheid op een geheel andere wijze de subsidie in zou richten? Stel dat uitsluitend aan de kostenkant gesubsidieerd zou worden? Bijvoorbeeld dat een aantal musea hun collectie met overheidsgeld zou mogen kopen en kostenloos gebruik zou mogen maken van het gebouw, maar dan géén entree zou mogen heffen, geen handel zou mogen drijven met de objecten en verplicht ruimte zou moeten geven aan beginnende kunstenaars. Zou het aanbod daarmee verslechteren? Of zou de groeiende aanwas van bezoekers en de open expositieruimte een soort ‘pop’ in de kunst laten opleven, waarin kunstenaars en bezoekers zich vinden in stijl en vorm?
Een dergelijk model zou ook voor de muziek- en danssector kunnen werken. Het verdienmodel is gebaseerd op de kunstenaar en niet op de exploitant van de ruimte. Niet de concertzaal verdient het geld, maar de kunstenaar krijgt geld voor zijn werk. Consequentie voor de kunstenaar is wel dat hij werk op moet leveren. Zonder werk geen verkoop, geen expositie en dus ook geen geld. Musea en concertzalen hebben geen uitgaven, maar ook beperkt inkomsten. Het zou in alle redelijkheid mogelijk moeten zijn om de exploitatie rond te krijgen met de aanpalende horeca.
Echt commerciële acts (de Joop van den Ende producties en aanverwanten) zouden kunnen draaien in niet gesubsidieerde zalen, of kunnen betalen voor het gebruik van de door de overheid betaalde ruimte en zo geld terug laten vloeien in de staatskas. Uiteraard moet de balans hierin wel gezocht worden, zodat de gesubsidieerde kunst aan bod blijft komen.
Zou dit model veel goedkoper zijn? Ik denk niet dat het meteen tientallen procenten zou schelen. Wel zou het een verandering teweeg brengen die kunst en commercie dichter bij elkaar brengt en bovendien wordt door de eenvoudigere structuur duidelijk waar het geld naartoe gaat. Bovendien kunnen meer mensen van kunst genieten en dat is toch uiteindelijk het enige doel dat overheidssubsidie zou moeten hebben, nietwaar?